Home Toekomstige leerlingen Leerlingen Ouders Medewerkers Organisatie Contact  
 

Het Daltonplan

In “Education on the Daltonplan” (1922) heeft Parkhurst uitgebreid een plan om het onderwijs te verbeteren uiteengezet. Zij schreef het Daltonplan voor leerlingen vanaf acht jaar. Over het plan heeft zij geschreven: “I am content that the Dalton Plan should be judged by its fruits…. I do not claim to have perfected my plan. Many minds must concentrate and co-operate upon it if it is to be a living and vital thing” (Parkhurst, 1922). Hieronder wordt dit plan besproken aan de hand van de volgende, vaak samenhangende, kernmerken: het centraal stellen van de leerling, effectiviteit, de taak, het vertrouwen in leerlingen, de specifieke rol van de leraar en de rol van de school als gemeenschap.

In het Daltonplan wilde Parkhurst de leerling centraal stellen. Hierdoor kon effectiever met de onderwijstijd worden omgegaan. Een van de manieren om de leerling centraal te stellen, was het aannemen van werk door de leerling. Het jaar moest vooruit gepland worden, zodat de leerling overzicht kreeg van het werk dat hij of zij in een jaar moest afmaken, alleen zo zou het iets van hemzelf worden (Parkhurst, 1922). Vervolgens nam de leerling het werk voor een jaar aan of bijvoorbeeld voor de eerste maand van dat jaar. Hij ondertekende hiervoor een klein contract.

Een andere manier om de leerling centraal te stellen is de individuele leerling als uitgangspunt te nemen. In het oude klassikale systeem van rond 1900 kreeg een leerling die goed was in wiskunde even veel tijd om daar aan te werken als een leerling die minder goed was in wiskunde. Daarnaast luisterden leerlingen vaak naar instructie waar ze misschien niet klaar voor waren of waar ze niets aan hadden, omdat ze het al snapten. Dit noemde Parkhurst (1922) ondoeltreffend. Ze zag de taak als oplossing voor dit probleem. Parkhurst wilde de taak gebruiken als hulponderwijzer door in de taak niet alleen instructie over het onderwerp te zetten maar ook over het maken van de opdrachten. Ze ging in op verschillen door de leerlingen die dat nodig hadden extra te ondersteunen bij het plannen van hun taken, door de taken af te stemmen op de individuele leerling als dat mogelijk was en door de leerlingen, als ze dat nodig hadden, instructie te geven. Zo kregen de leerlingen instructie gericht op de problemen waar ze tegenaan liepen. De leraar kon er ook voor kiezen om een conferentie in te roosteren als er extra instructie aan een groep leerlingen gegeven moest worden, omdat deze leerlingen gelijktijdig tegen een probleem aanliepen.

Ze wilde dat de leraren zochten naar verbanden tussen de lesstof c.q. de taken, om de lesstof ook in samenhang aan de kinderen over te dragen. Ook dit was weer gericht op effectiviteit, omdat Parkhurst ervan uitging dat het voor leerlingen gemakkelijker is om twee vakken te leren die met elkaar verband houden, dan om twee op zich zelfstaande vakken te leren.

Om een leerling effectief met de taak te laten werken, moest de leerling verantwoordelijk zijn voor de indeling van zijn tijd (Parkhurst, 1922). “Under the new plan there are no bells to tear him away at an appointed hour and chain him pedagogically to another subject and another teacher”. De leerling kreeg de vrijheid om zelf te bepalen wanneer hij aan welk vak ging werken. Dit was vooral effectief, omdat een leerling dat vak koos waar hij op dat moment het meeste zin in had en Parkhurst ging ervan uit dat leerlingen het beste leren op momenten dat ze belangstelling hebben voor het vak waar ze mee bezig zijn.

Daltondocenten werkten vanuit de visie dat leerlingen veel kunnen (Parkhurst, 1922). Ze hadden vertrouwen in leerlingen en gaven hen daarom de vrijheid die zij nodig hadden om effectief te kunnen werken. De voornaamste taken van de docent waren niet meer het orde houden en instructie geven. De docenten gaven nu vooral hulp aan de leerlingen bij het maken van de taken en ze observeerden de leerlingen om effectievere taken te kunnen maken. De docenten leerden meer over de beste manier van lesgeven door hun leerlingen tijdens het werken te observeren.

Parkhurst en andere vernieuwers van die tijd wilden van de school een gemeenschap maken. Parkhurst zag verschillende voordelen van deze gemeenschap. Ze ging er van uit dat in een gemeenschap waarin alle leden van die gemeenschap verantwoording aan elkaar verschuldigd zijn en verantwoordelijk zijn voor de gemeenschap, geen van de leerlingen of docenten zich binnen de school zou kunnen isoleren (Parkhurst, 1922). Dus alle leerlingen en docenten droegen gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor het leren op school.

Bron: “Een goede daltonschool, begint bij de docent” (Beuling, 2008).

 

 

sitemap    disclaimer    privacyverklaring